De Zinbergdriehoek
De effecten van middelengebruik zijn volgens de theorie van Zinberg (1984) van drie dingen afhankelijk: het middel zelf, de persoon en de omgeving. Omdat het effect van middelengebruik van deze drie dingen afhankelijk is, kunnen de effecten de ene keer anders zijn dan de andere keer.

Het middel
We onderscheiden drie soorten middelen: verdovende middelen, stimulerende middelen en hallucinerende middelen. Middelen kunnen dus verschillende effecten hebben. Ook is de werkingsduur per middel verschillend. Daarnaast is het effect afhankelijk van de hoeveelheid die je inneemt en hoe je het inneemt.
De persoon
De lichamelijke en geestelijke eigenschappen van de persoon zijn hierin van belang. Voorbeelden zijn: lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, fitheid, stemming, verwachtingen van het middel, enzovoort.
De omgeving
De omgeving heeft invloed op het effect van de werking van een middel. Voorbeelden van omgevingsfactoren zijn: temperatuur, locatie, drukte, tijdstip, wel of geen waterverstrekking, enzovoort.